Vijftig jaar na dato kennen miljoenen mensen wereldwijd nog de wazige televisiebeelden van de eerste maanlanding. De Apollo 11-missie inspireerde vele personen om zich op de ruimte te richten. Veel van hen zijn actief in de Verenigde Staten, zoals Elon Musk van SpaceX en Jeff Bezos van Blue Origin. Maar hoe ontwikkelde de ruimtevaart zich in Nederland sinds die ‘grote sprong voor de mensheid’?

Op 20 juli, rond 20.17 uur Nederlandse tijd, plantte de Eagle-maanlander, met daarin astronauten Neil Armstrong en Buzz Aldrin, zijn landingsgestel in het maanoppervlak. “We zijn er! We zijn geland op de maan, dames en heren”, sprak presentator Henk Terlingen, beter bekend als ‘Apollo Henkie’, vanuit een studio in Hilversum.
Terlingen en sterrenkundige Chriet Titulaer deden live verslag van de maanmissie, tijdens een speciale televisie-uitzending, geregisseerd door Rudolf Spoor. Beelden van de landing zelf hadden de programmamakers niet, dus werd op een maquette van de maan de landing nagebootst.
“Het gaat nu komen”, aldus Terlingen terwijl Neil Armstrong de trap van de lander afdaalde, zes uur na de landing. Zodra Armstrong zijn laars in het maanoppervlak zet, sprak hij de befaamde woorden: “One small step for man, one giant leap for mankind”. Terlingen herhaalde de uitspraak en Armstrong begon de grauwe, poeder-achtige maanoppervlakte te beschrijven. “This is Houston, we copy”, reageerde die missieleiding in Houston koeltjes. Terlingen was minder koeltjes: “We copy, het is ongelooflijk!”, zei hij met hoorbaar enthousiasme.
Tijdens de televisie-uitzending waren sterrenkundigen van de Volkssterrenwacht Simon Stevin druk aan het werk. Ongeveer 85 kilometer van Hilversum, in het Brabantse Oudenbosch, had de Volkssterrenwacht een tijdelijk hoofdkwartier ingericht in een basisschool. Op het plein bouwde de Sterrenwacht drie antennes, om signalen van Houston en de Apollo-capsule op te vangen.
“Apollo 11 was, voor mijn werk, het hoogtepunt van mijn leven”, vertelt ruimtevaartjournalist Piet Smolders. Hij bracht in hetzelfde jaar als de landing een boek uit over de missie. “Ik denk echt dat dit het begin was van een beweging die kant op, naar leven op een andere planeet”, aldus de journalist. “En Nederland speelt in die beweging natuurlijk een rol”.
Nederland begon al eerder
Voor die ‘beweging’ die Smolders noemt, was er al Nederlandse interesse in de ruimte, vertelt ruimtevaartconsultant Erik Laan. Zo werd in 1952, zeventien jaar voor de maanlanding, de Nederlandse Vereniging voor Ruimtevaart (NVR) opgericht. Die vereniging bracht geïnteresseerden samen en geeft nog altijd een tijdschrift uit.
In 1962 werden de eerste Europese ruimtevaartorganisaties opgericht: de European Launcher Development Organisation (ELDO) en de Space Research Organisation (ESRO). ELDO werkte aan een Europees lanceervoertuig en ESRO werkte aan ruimteonderzoek. Nederland was medeoprichter van beide organisaties, die later zouden opgaan in het Europees Ruimtevaartagentschap ESA.
“Nederland was te klein om een eigen lanceervoertuig te bouwen. Dat is in Europees verband gedaan met de ontwikkeling van de Ariane-raket.”, vertelt Laan. Wel staat de grootste vestiging van ESA, ESTEC, in Noordwijk. Hier worden de Europese satellieten ontwikkeld.

In de jaren ‘60 werd tevens het Utrechts Laboratorium voor Ruimteonderzoek (LRO) opgericht, dat in 1983 de Stichting Ruimtevaartonderzoek Nederland (SRON) werd. “SRON deed toen al onderzoek met apparaten die men buiten de atmosfeer bracht om naar de sterren te kijken, vervolgens kwamen die apparaten weer naar beneden”, vertelt Laan.
De maanlanding liet de aandacht voor ruimtevaart wel echt oplaaien, denkt de consultant. “Ik heb er geen eerstehands ervaring mee”, lacht Laan, “maar ik zie wel dat er interesse in was.” Zo bouwden Fokker, Philips en het Nederlandse Lucht- en Ruimtevaart Laboratorium in de vroege jaren ’70 de eerste volledig Nederlandse satelliet: de Astronomische Nederlandse Satelliet (ANS). Deze sonde bestudeerde de hemel met röntgen- en uv-straling.
Nederland, kleine satellietenland
De ANS was een meter groot en Nederland draagt nog steeds bij aan grotere satellieten, maar de markt van zogenaamde “smallsats” is in opkomst. Waar een grote satelliet zo groot kan zijn als een auto, heeft een smallsat het formaat van een melkpak.
Met deze satellietjes kan een fabrikant veel meer risico’s nemen en innoveren, vertelt Jeroen Rotteveel, directeur van satellietenfabrikant ISISpace en voorzitter van SpaceNed, de brancheorganisatie voor de Nederlandse ruimtevaartsector. Dat komt omdat de productiekosten laag zijn en door het lage gewicht zijn ze ook goedkoper te lanceren. ISISpace is de enige Nederlandse fabrikant van complete satellieten en verzorgt alles van onderdelen tot een plekje in een raket.
Rotteveel noemt Nederland een “kleine satellietenland”. Dit omdat veel partijen die actief zijn in de ruimtevaartsector, interesse hebben in kleine satellieten. Zo kijken wetenschappelijke instituten naar mogelijke toepassingen en heeft TNO een groep die werkt aan instrumenten voor smallsats. De eerste eigen satelliet van de luchtmacht, de Brik-II, zal ook formaatje melkpak zijn. “Het feit dat er mogelijkheden zijn, zorgt dat mensen ernaar gaan kijken.”
Lanceren

Hoewel satellieten dus wel in Nederland gebouwd kunnen worden, zullen deze waarschijnlijk nooit vanaf eigen bodem de ruimte ingaan. Lanceren doet men het liefst zo dicht mogelijk bij de evenaar en daar is het Nederlandse grondgebied te ver vandaan.
De enige lanceerbare Nederlandse raket, is die van het TU Delft DARE-Team. Hun grootste en nieuwste voertuig, de Stratos IV, is ruim 8 meter hoog en moet als eerste studentenraket 100 kilometer hoog komen. Ondanks dat Stratos ladingen, zoals meetapparatuur, kan dragen, is de raket niet bedoeld voor commerciële doeleinden. “Het doel van DARE is vooral om studenten de ervaring te geven op het gebied van experimentele raketbouw”, vertelt Fabio Kerstens, bestuurslid van DARE. DARE lanceert vanuit Spanje of Zuid-Afrika. Motortests doen ze op terrein van Defensie.
Slechts één Nederlands bedrijf werkt aan een commercieel lanceervoertuig: Dawn Aerospace. Dawn werkt aan een vliegtuigje, dat in de lucht raketten voor kleine satellieten moet lanceren. Zowel Erik Laan als Jeroen Rotteveel zijn sceptisch of Dawn op de markt door kan dringen. Momenteel werken zo’n honderd partijen wereldwijd aan lanceervoertuigen voor kleine satellieten en een deel daarvan vliegt al. “Ik wens ze veel succes”, vertelt Erik Laan.
Kleine boterham
Dawn Aerospace is één van de bedrijven binnen de Nederlandse ruimtevaartgemeenschap. Deze totale gemeenschap zette naar schatting 600 miljoen euro om in 2018, en bood werk aan 4.000 mensen.
Een deel van de bedrijven in deze sector ziet ESA-projecten als einddoel, vertelt Laan. Ze krijgen de vraag van ESA om bijvoorbeeld een onderdeel te maken voor een satelliet en dat is dan hun enige ruimtevaartproject. “Je kunt een kleine boterham verdienen door projecten voor ESA te doen”, stelt Jeroen Rotteveel. “Het is heel mooi dat een Nederlands bedrijf een zonnepaneel ontwikkelt dat naar Mercurius kan, maar de kans dat je dat over vijftien jaar nogmaals doet is gewoon nul.”
Marco van der List, van het Brabantse ruimtevaartbedrijf Bradford Engineering, herkent zich in dat beeld. Bradford levert onder meer onderdelen en apparatuur voor het Internationaal Ruimtestation en verschillende satellieten. Aanvankelijk was Bradford ook afhankelijk van overheidsprojecten zoals van ESA en NASA. “Alleen zien wij dat als een startpunt. Apparatuur die wij voor die projecten ontwikkelen, willen we ook verkopen aan commerciële klanten.”
Wat doet de overheid
Terwijl de industrie vrij actief is, mag de overheid wel meer doen, vindt consultant Laan. Hij verwijst naar een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (EOCD), over wereldwijde uitgaven aan ruimtevaart. “In Nederland zie je overheidsinvesteringen dalen, terwijl die bij andere landen juist stijgen.”
“In Nederland spreekt men positief over ruimtevaart, maar zodra puntje bij paaltje komt, is het geen prioriteit in de politiek”. Dat komt volgens Laan omdat het lang kan duren tot een investering in de ruimtevaart zich afbetaalt. Als voorbeeld noemt de consultant de ANS-satelliet. De technologie die destijds ontwikkeld is om deze satelliet onder extreme omstandigheden in de ruimte te laten werken, werd later door technologiebedrijf ASML toegepast voor apparaten die computerchips branden. “Een politicus die na een paar jaar weg is krijgt daar de eer nooit voor, als het pas 20 jaar later gebeurt.”
Elke drie jaar brengt de Rijksoverheid de Nota ruimtevaartbeleid uit. Daarin staat wat Nederland wil investeren in de sector en wat het gaat bijdragen aan het Europees Ruimtevaartagentschap. Alle ESA-lidstaten bespreken datzelfde jaar de bestedingen.
De beoogde overheidsinvestering van 2019 bedraagt 347,3 miljoen euro. Die investering is onderverdeeld in vijf categorieën:
- De verplichte bijdrage aan ESA door lidstaten.
- De optionele ESA-programma’s zoals aardobservatie en raketontwikkeling.
- EUMETSAT. De Europese organisatie die weersatellieten beheert.
- Nationale programma’s. Bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, zoals de Space Buzz van André Kuipers, een virtual reality programma waarin kinderen een ruimtevlucht ervaren.
- Defensie. Defensie wil ruimtevaart toepassen voor navigatie- en communicatietechnologie.
Zie het diagram voor de kostenverdeling:

Nederland stelt in 2019 267,5 miljoen euro beschikbaar aan ESA beschikbaar, maar dat was in 2016 nog 290,1 miljoen. Dat is kwalijk, meent Laan. “In Nederland hebben we ESTEC, ESA’s grootste vestiging. Daar werken 2.500 mensen. Dat zijn deels expats die hier wonen, hier boodschappen doen en hier betalen voor bijvoorbeeld vluchten en taxiritten.” ESTEC levert daarom veel geld op. “Daar moet je niet zuinig mee doen, dat moet je omarmen.”
Nederlanders in de ruimte
Bij ESTEC hebben ook twee van de drie Nederlandse astronauten gewerkt. Wubbo Ockels, de tweede Nederlander in de ruimte, werkte na zijn Space Shuttle-vlucht in 1985 enige tijd bij ESTEC. André Kuipers, die in 2004 en 2011 per Sojoez-capsule naar het Internationaal Ruimtestation ging, werkte voor en na zijn eerste vlucht enige tijd bij het ESA-complex.
De eerste in Nederland geboren astronaut, Lodewijk van den Berg, was tijdens zijn vlucht in 1985 een Amerikaans staatsburger en vloog namens NASA. Desondanks staat er een standbeeld van Van den Berg in zijn Zeeuwse geboorteplaats Sluiskil.
